Direct na de bevrijding vierden velen feest, maar voor sommigen brak juist de zwaarste tijd van hun leven aan. Vrouwen en meisjes die tijdens de oorlog relaties aangingen met Duitse militairen, werden publiekelijk vernederd en gestigmatiseerd. Hoewel beelden van uitgelaten mensen met vlaggen op straat de bevrijding symboliseren, is er ook een minder bekende, maar schrijnende kant: de publieke bestraffing van vrouwen die als 'moffenhoer' werden bestempeld.
Publieke vernedering en geweld
Deze vrouwen en meisjes werden door Binnenlandse Strijdkrachten uit hun huizen gehaald en op karren door straten gereden. Op pleinen werden hun hoofden kaalgeschoren, waarbij hakenkruizen van pek en menie werden aangebracht. Om hun nek hingen bordjes met denigrerende teksten als ‘moffenhoer’. Dorps- en stadgenoten keken joelend toe, sommigen duwden de vrouwen op de grond, randden hen aan of verkrachtten hen zelfs.

Oproep tot excuses en maatschappelijke discussie
In oktober 2018 riep de Stichting Werkgroep Herkenning, die opkomt voor kinderen van 'foute' ouders, de Nederlandse regering op om excuses aan te bieden voor het kaalscheren en vernederen van deze vrouwen. Deze oproep volgde op soortgelijke excuses van de Noorse regering. De Nederlandse oproep zorgde voor veel discussie over de noodzaak van dergelijke excuses. Schrijver en journalist Sytze van der Zee, zelf kind van een NSB'er, noemde eventuele excuses in het tv-programma RTL Late Night bespottelijk.
Omvang van de relaties en kinderen
Historisch onderzoek heeft aangetoond dat er naar schatting tussen de 130.000 en 150.000 relaties waren tussen Duitse mannen en Nederlandse vrouwen. Hieruit werden naar schatting zo'n 13.000 tot 15.000 kinderen geboren. Bovendien werden in minstens 121 Nederlandse dorpen en steden 'moffenmeiden' publiekelijk vernederd.
Onderzoek naar 'moffenmeiden'
Wie dieper in de geschiedenis van de behandeling van 'moffenmeiden' in Nederland duikt, stuit op een summier historiografisch overzicht. Het boek van Rianne Oosterom (1992) borduurt voort op eerder onderzoek en plaatst het onderwerp in een bredere context. Oosterom begon haar onderzoek voor haar bachelorscriptie, waarin ze ooggetuigen zocht van het kaalknippen via oproepen in lokale kranten. De relevantie van het onderwerp leidde uiteindelijk tot haar boek.
Het doorbreken van het stilzwijgen
Hoewel de beelden van het kaalknippen bekend zijn, doorbreekt het werk van Monika Diederichs (1945) voor het eerst het stilzwijgen rondom het verborgen leed van de 'moffenmeiden'. Diederichs interviewde 56 Nederlandse vrouwen met relaties met Duitsers en merkte direct hoe gevoelig het onderwerp lag. Velen van hen droegen hun ervaringen als een geheim mee, uit angst en schaamte. De verhalen over verkrachtingen, publieke vernederingen en het rondgereden worden door de stad waren diep emotioneel.

Diederichs, zelf geboren in Duitsland als dochter van een Nederlandse vrouw en een Duitse militair, toont in haar boek hoe het denken over collaboratie en de behandeling van 'moffenmeiden' zich na 1945 ontwikkelde. In de directe naoorlogse jaren was er weinig ruimte voor nuance; men was slachtoffer, verzetsheld of collaborateur. Vrouwen die een relatie hadden met een Duitser vielen per definitie in de laatste categorie. Vanaf de jaren zestig spraken sociologen zelfs over 'seksueel collaboreren', ervan uitgaande dat deze vrouwen wisten dat de soldaten de vijand waren.
De complexiteit van de relaties
De interviews van Diederichs maken echter duidelijk dat de redenen voor contact met Duitse militairen zeer divers waren. Veel relaties kwamen voort uit liefde, en politiek of oorlog werden zelden besproken. Vaak ging het om soldaten die bij gezinnen inwoonden, met name op het platteland, en zich over het algemeen niet vijandig opstelden. Zoals een geïnterviewde aangaf: "Niemand sprak over politiek, dat was voor beide partijen te gevaarlijk." De Nederlandschen Volksdienst, een organisatie die gericht was op de nazificatie van het maatschappelijk werk, bood ook hulp aan 'arische gezinnen', waaronder Nederlandse vrouwen die zwanger waren van een Duitser.
De Duitse soldaat die van kant wisselde na wat hij in Nederland zag
Verrijking door Oosteroms onderzoek
Hoewel het boek van Diederichs werd geprezen, was er ook kritiek op het vermeende eenzijdige karakter, aangezien de soldaten zelf niet aan het woord kwamen. Rianne Oosterom borduurt voort op het materiaal van Diederichs, aangevuld met ongebruikte interviews en andere bronnen. Daarnaast sprak Oosterom een vrouw die vernederd was, maar ook familieleden van slachtoffers en omstanders die de vernederingen op straat zagen gebeuren. Ze verkreeg ook enquêtes onder inwoners van Roosendaal uit 1944 en 1945, die inzicht geven in de naoorlogse opvattingen over 'moffenmeiden'. Een dienstmeisje schreef bijvoorbeeld hoe boos ze was over het lot van sommige vrouwen die "dag en nacht gedweild hebben met de moffen" maar niet werden gestraft.
Oosterom verwerkte al deze informatie in een rijk, verhalend boek. De geïnterviewden worden tot leven gebracht, waardoor de lezer zich kan inleven in de positie van de vernederde vrouwen, maar ook in die van passieve omstanders, familieleden en zelfs degenen die deelnamen aan de vernederingen. Het perspectief van de militairen komt eveneens aan bod, wat de gelaagdheid van de situatie blootlegt.
De traditie van volksgerichten
Opvallend is dat Oosterom laat zien dat het kaalknippen van 'moffenmeiden' past binnen een eeuwenoude traditie van volksgerichten, die werden gebruikt om orde te handhaven buiten officiële instanties om. De kaalknipstraf kwam al voor in de Bijbel, de Romeinse tijd en tijdens de Eerste Wereldoorlog, met name bij overspelige vrouwen.

Toekomstperspectief: excuses en educatie
Het is nog afwachten of Nederland, net als Noorwegen, excuses zal aanbieden. De Stichting Werkgroep Herkenning is in gesprek met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Na een tweede gesprek is besloten om te zoeken naar mogelijkheden om dit onderwerp meer aandacht te geven in het onderwijs. De werkgroep heeft ook gevraagd om onderzoek naar de rol van de toenmalige autoriteiten tijdens de vernederingen, aangezien de vrouwen zonder vorm van proces werden berecht.
Het ministerie van VWS erkent het leed dat deze gebeurtenissen hebben veroorzaakt bij de vrouwen en hun kinderen, en dat hier lange tijd geen oog voor is geweest. Staatssecretaris Blokhuis geeft aan dat er gekeken wordt naar mogelijkheden om via kennis en educatie een genuanceerder beeld te creëren van wat deze vrouwen is overkomen.
Langzaam maar zeker komt er meer aandacht voor dit onderwerp in Nederland, en de zwart-witdenkbeelden van dertig jaar geleden maken plaats voor een genuanceerdere kijk. Het taboe rondom dit pijnlijke stuk geschiedenis lijkt langzaam te verdwijnen.