Wolfgang Amadeus Mozarts Requiem is een werk dat generaties lang tot de verbeelding spreekt. De omstandigheden rond de totstandkoming, de mystieke opdracht en de onvoltooide staat ervan, hebben geleid tot talloze interpretaties en speculaties. Dit werk, dat door E.T.A. Hoffmann werd omschreven in termen van “ontzagwekkende akkoorden welke uit een andere wereld stammen”, getuigt van een duistere, poëtische romantiek die de 19e-eeuwse gotische turbulentie en theatraliteit voorafspiegelt. De flankerende omstandigheden zoals de geheimzinnige opdrachtgever, de anonieme boodschapper, Mozarts ziekte, geldzorgen, vrijmetselarij, de rol van Salieri, vermeende vergiftiging en Mozarts voorgevoelens van de aanstaande dood, geven voeding aan dergelijke “sentimentele gevoelens”, zoals Karl Schumann opmerkte.

De Ontstaansgeschiedenis van een Meesterwerk
De ontstaansgeschiedenis van het Requiem is intrigerend en wordt vaak gekleurd door anekdotes en romantische interpretaties. Op 14 februari 1891 werd de Oostenrijkse graaf Walsegg von Stuppach getroffen door het plotselinge overlijden van zijn twintigjarige aanstaande bruid. Om haar nagedachtenis levend te houden, besloot hij een Requiem te laten componeren. Graaf Walsegg had een reputatie van het opdragen van muziekwerken, die hij vervolgens onder eigen naam uitgaf. Hij nodigde een componist uit om een stuk te schrijven, kopieerde de partijen zelf, organiseerde uitvoeringen en claimde de auteurschap. Voor zijn nieuwste project koos hij Mozart.
Medio juli zond de graaf een afgezant naar Mozart, die de opdracht maar al te graag aanvaardde. Mozart had een voorliefde voor kerkmuziek en had sinds de Mis in c uit 1783 geen significant werk op dit gebied meer gecomponeerd. De identiteit van de opdrachtgever werd echter strikt geheim gehouden door een zwijgzame bode in grijze kledij. Mozart accepteerde de opdracht, maar de geheimzinnigheid bleef hem bezighouden.
Rond medio november werd Mozart te ziek om verder te werken en moest hij het bed houden. Zijn vrouw Constanze zat zonder inkomen, aangezien het kleine voorschot voor het Requiem al lang op was. De voltooiing van het werk was cruciaal voor de betaling van het afgesproken eindbedrag. De onvoltooide partituur werd eerst aan Joseph Eybler, een vriend van Mozart, toevertrouwd. Eybler vulde hier en daar de orkestratie aan, maar voelde zich niet in staat het werk volledig af te maken.
De volgende die het werk onder handen kreeg, was Franz Xaver Süssmayr, een voormalige leerling van Mozart. Süssmayr, die mogelijk nog instructies van de stervende Mozart had ontvangen, begon met het verwijderen van veel van Eyblers aanvullingen. Hij behield het Requiem en Kyrie, de enige delen die Mozart volledig had nagelaten. De muziek vanaf dat punt tot het Hostias was genoteerd in een muzikaal steno, waarop de zangpartijen en de harmonische begeleiding konden worden afgeleid. Süssmayr voltooide de instrumentatie en componeerde het slot van het Lacrimosa, waarvan Mozart slechts de eerste zes maten had genoteerd - vermoedelijk de laatste die hij ooit schreef. Voor het Lux aeterna aan het einde hergebruikte Süssmayr materiaal uit het Requiem en Kyrie.

Toen graaf Walsegg de partituur uiteindelijk ontving, paste hij zijn gebruikelijke truc toe: hij kopieerde het werk noot voor noot en arrangeerde een uitvoering. Deze vond plaats op 14 december 1793, ruim twee jaar na Mozarts dood, in de parochiekerk van Wiener Neustadt, waarbij Walsegg zelf de dirigeerstok hanteerde.
Muzikale Analyse van het Requiem
Mozarts Requiem is een werk dat in de schaduw van de dood is geschreven en daarvan een treffend voorbeeld is. De beginmaten van het Introïtus, met een melancholiek samenspel van fagot en twee bassethoorns over een plechtige strijkerbegeleiding, suggereren een besef van tijdgebrek en de noodzaak om alleen het essentieële te zeggen. De muziek bereikt in de zevende maat een plotseling gekweld forte, wanneer koren en strijkers de Latijnse woorden van het smekende gebed “Requiem aeternam dona eis, Domine, et lux perpetua luceat eis” inzetten.
Het Kyrie is een ernstige, naar binnen gerichte fuga, gevolgd door een Dies irae van angstaanjagende intensiteit. De Dag des Oordeels wordt dramatisch aangekondigd door het volledige koor en wanhopig jagende strijkers. Het Requiem wordt om deze reden artistiek beschouwd als een van Mozarts minst coherente meesterwerken, maar tegelijkertijd ook als een van de meest ontroerende. Het weerspiegelt de strijd van de componist om de vreselijke visioenen van de dood, veroorzaakt door zijn eigen ziekte, te verzoenen met de troost en hoop op verlossing die traditioneel door religieus vertrouwen wordt geboden. De boodschap van het werk suggereert dat een dergelijke verzoening onmogelijk is. Het is treffend dat een componist die zo meesterlijk diverse emoties in muzikale vormen wist uit te drukken, in zijn laatste compositie niet in staat bleek een dergelijk wonder van evenwicht te realiseren.

De Uitdaging van de Süssmayr-versie en Alternatieve Interpretaties
Hoewel Süssmayr mogelijk niet Mozarts eerste keuze was om het werk te voltooien, is zijn versie wat het nageslacht heeft nagelaten. De vraag of de zwakheden van Süssmayrs versie onontkoombaar zijn, is een kwestie waarmee dirigenten door de jaren heen zijn geconfronteerd. De meerderheid accepteerde de Süssmayr-versie, deels omdat er tot in de jaren zeventig geen alternatieven beschikbaar waren, en deels omdat het werk werd beschouwd als een bona fide 18e-eeuwse compositie. In de latere 20e eeuw begonnen echter componisten als Franz Beyer, Richard Maunder, H.C. Robbins Landon, Duncan Druce, Michael Finisy en Marius Flothuis zich af te vragen of er betere oplossingen mogelijk waren.
De discografie van Mozarts Requiem is enorm en gecompliceerd door de verschillende uitvoeringspraktijken. Tot ver in de jaren zeventig domineerde de Süssmayr-voltooiing, waarna correcties en voltooiingen van Beyer, Levin, Robbins Landon en Finisy elkaar opvolgden, soms in mengvormen. Daarnaast variëren uitvoeringen in stijl, van traditioneel met oude instrumenten tot uitvoeringen met louter jongens- en mannenstemmen.
Een Overzicht van Belangrijke Opnamen en Uitvoeringen
De discografie van Mozarts Requiem is rijk en divers, met talloze opnamen die verschillende benaderingen van dit meesterwerk laten horen. Hieronder volgt een overzicht van enkele opmerkelijke uitvoeringen en interpretaties:
Historische Opnamen (voor 1960)
- Bruno Walter: Zijn opname uit 1956 wordt als belangrijk beschouwd. Zijn eerdere Weense opname uit 1937 wordt als te onsamenhangend beschouwd. De opname uit Salzburg, Walters laatste optreden op het festival, kenmerkt zich door een bijzondere sfeer.
- Ferenc Fricsay (1951): Een verklanking vol vitaliteit, met een ascetisch helder karakter en veel drama.
Opnamen uit de Jaren '60 en '70
- Karl Böhm: Zijn eerste opname kenmerkt zich door ontzag en ernst, maar ook voorzichtigheid. Het solistenkwartet stelt teleur, met uitzondering van Stich-Randall, en het orgel klinkt te prominent. In 1971 liet hij het ‘Rex tremendae’ en het ‘Tuba mirum’ te langzaam verlopen.
- Karl Leinsdorf: De registratie van een herdenkingsdienst in de kathedraal van Boston na de dood van Kennedy, gelardeerd met liturgische handelingen.
- Herbert von Karajan: Ondanks zijn drie opnamen weet hij behalve met veel uiterlijke glans niet te imponeren. De uitgave uit 1961 laat de luisteraar onberoerd, ondanks voortreffelijke solisten. In 1975 toont hij een verchroomde, gehomogeniseerde aanpak, met puike solisten en veel theatraal vertoon, maar mist de dieptreffende expressiviteit.
- Carlo Maria Giulini: Zijn opname uit 1971 is mooi en aanvaardbaar, maar niet uitzonderlijk. In 1987 stelde hij teleur met een haast parodistische, uiterst trage verklanking.
- Georg Solti (1991): Tijdens de Mozartherdenking in de Weense St. Stephan toont hij te veel energie en te weinig troost, hoewel de toevoegingen van Robbins Landon interessant zijn. Arleen Auger blinkt uit als soliste.
- Leonard Bernstein: Zijn gesentimentaliseerde, in de Mahlersfeer gesitueerde aanpak, met een voortdurend onzuiver intonerende sopraan.
- Daniel Barenboim (1985): Zijn tweede opname is van vergelijkbare kwaliteit.
- Colin Davis (1967): Zijn eerste opname op Philips, die overdreven eerbiedig aandoet, wordt duidelijk overtroffen door Marriner.
- Neville Marriner: Zijn tweede versie (uit 1990) overtreft zijn eerste (uit 1977) verre. Een flexibel, homogeen koor en Marriner die het verschil tussen Mozarts etherische polyfonie en declamatorische homofonie belicht, met het Lacrymosa als sprekend voorbeeld. Sylvia McNair en Robert Lloyd overtuigen als solisten.
- Gillesberger: Bijzonder door het gebruik van kelige jongensstemmen voor de sopraan- en altpartij, wat deels aandoenlijk, maar ook te neutraal klinkt.
- Marschik: Werkt met hetzelfde koor als Gillesberger, maar zet Max Emanuel Cencic in als volgroeide mannelijke sopraan, wat resulteert in een bijzonder mooie uitvoering.
- George Guest: De beste interpretatie voor wie het gebruik van jongensstemmen prefereert.
- Karl Richter: Demonstreert een Lutheraanse strengheid die niet goed past bij Mozarts muziek, maar de discipline en energie van zijn koor zijn prijzenswaardig.
- Hans Gönnenwein: Als Bachspecialist gaat hij milder om met het Mozartidioom.
- Helmuth Rilling: Streng, hoekig en in de oude Duitse traditie, met een te ver doorgedreven discipline.
- Peter Schreier: Conventionele, maar nobele aanpak met een voortreffelijke Margaret Price.
- Milan Košler: Met zijn Tsjechische ensemble, biedt een interessantere, boeiendere en veelzijdigere interpretatie.
- Claudio Abbado (1999): Een live-opname in de Salzburgse kathedraal ter herdenking van Karajan, resulterend in een imposant en overtuigend optreden.
- Nigel Short: Een vrij lichte, kleinschalige aanpak die in zijn soort de moeite waard is.
- Christian Thielemann: Zet het werk te ouderwets grootschalig en romantisch op, met weinig Mozartiaans instinct.
- Robert Christophers: Een redelijk geslaagde zaalopname uit Boston, met een verzorgd solistenkwartet en heldere orkestbijdragen.
“Authentieke” en Recente Opnamen
- Christopher Hogwood: Gebruikt de Maunder-versie, wat resulteert in een radicale oplossing waarbij elke noot die niet duidelijk uit Mozarts schetsen voorkomt, is geschrapt. Zijn aanpak is interessant en uitdagend, maar uiteindelijk te koel en zelfbewust.
- Sigiswald Kuijken: Na een tam begin wordt zijn interpretatie sprekender, met een meer retorische inslag.
- Nikolaus Harnoncourt: Zijn eerdere uitvoeringen kenden een zekere gemaniëreerdheid. Eind 2003 kwam hij met een grondig herziene versie, gebaseerd op de Beyer-uitgave. Hij gaat gematigder te werk, verleent de muziek meer diepte en een persoonlijker karakter, met behoud van retorische trekken. De solisten vormen een uitstekend team en het koor levert genuanceerde zang.
- Roger Norrington: Hanteert de reconstructie van Duncan Druce, die overtuigend is omdat hij uitging van Mozarts orkestratiemethoden. Norringtons dirigeerstijl is rusteloos en fel, met weinig emotioneel engagement, maar het eindresultaat is positief.
- John Butt (Dunedin Consort): De eerste opname die gebruikmaakt van David Blacks nieuwe kritische editie van de Süssmayr-versie, met een poging om de uitvoeringspraktijk van de eerste uitvoeringen in Wenen te reconstrueren.
De uitvoering door Philippe Herreweghe, met zijn gebruikelijke orkest en vier degelijke solisten, wordt echter als weinig impactvol beschreven. De lange en luide applaus achteraf wordt als ongepast en onverdiend ervaren, en de priester zingt de mis op een pijnlijk vals en schor wijze, wat het geheel tot geen ‘goede muziek’ maakt.
Lacrimosa, Unfinished version, from Mozart's Requiem K. 626
tags: #dvd #mozart #requiem #herreweghe #bbc