Geschiedenis van Beeld en Geluid in Nederland

Als cultuurhistorisch instituut draagt het zorg voor de verzameling, opslag, conservering, documentatie, presentatie, levering, bestudering en interpretatie van Nederlands audiovisueel erfgoed.

De Ontstaan van Radio in Nederland

De historische groei van omroepen in Nederland dateert van omstreeks 1920. Hoewel al vele jaren daarvoor gebruik werd gemaakt van vonkzenders voor de telegrafie, was het de radiopionier Hanso Schotanus à Steringa Idzerda die op 6 november 1919 voor het eerst zijn zelf geconstrueerde radiotelefoniezender voor omroepdoeleinden gebruikte.

Ondertussen was in 1918 in Hilversum de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) opgericht. Deze fabriek richtte zich in eerste instantie op de productie van zend- en ontvanginstallaties voor schepen en vliegtuigen. Als gevolg van veranderende marktomstandigheden werd eind 1922 begonnen met de productie van radiotoestellen. In het kader van de vergroting van de afzet van deze producten bouwde de NSF in de eerste helft van 1923 een experimentele elektronische radiozender en richtte zij tevens een radiostudio in op het fabrieksterrein aan de Jan van der Heydenstraat. Vervolgens hield de NSF op 21 juli 1923 een proefuitzending die de eerste Nederlandse radio-uitzending verzorgd door een radio-omroep in Hilversum werd.

Na proefnemingen, waarbij een pianola voortdurend de 'Marche Militaire' van Schubert speelde, ving het aan op 21 juli 1923. Dat is de datum waarop de radio in Hilversum begon.

Historische foto van de eerste radiozender in Hilversum

Ontwikkeling van Audiovisuele Archivering

De Fonotheek en het Geluidenarchief

Onderdeel van de op 10 februari 1947 opgerichte Nederlandsche Radio Unie (NRU) werd een fonotheek. De Fonotheek ging het Historisch Archief (voor hergebruik geselecteerde geluidsopnamen van de tot dan toe opgerichte radio-omroepen), het Geluidenarchief van de Hoorspelkern en de reeds bestaande Centrale Discotheek (met aangekochte handelsplaten) bevatten. De Centrale Discotheek was begin jaren veertig door de Rijksradio-omroep De Nederlandsche Omroep ingesteld. De Rijksradio-omroep was in 1941 ontstaan als gevolg van de gelijkschakeling en concentratie van de radio-omroepen door de Duitse bezetter.

In eerste instantie huisvestten twee villa's aan de Heuvellaan (28 en 32) in Hilversum de NRU. Door aanhoudende groei van de collectie verhuisde de Fonotheek eind 1965 naar een nieuw gebouw op het Omroepkwartier in Hilversum, samen met de Muziekbibliotheek van de NRU (nu: Muziekbibliotheek van de Omroep). Het nieuwe gebouw was ontworpen door architect Piet Elling en heette eerst Muziekpaviljoen, later Audiocentrum.

Het Ontstaan van Televisie en Filmarchieven

Op 2 oktober 1951 vond de eerste officiële Nederlandse televisie-uitzending verzorgd door de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) plaats. In 1958 begon de NTS met het Centrale Filmarchief. Journaalfilms en televisiemateriaal van alle omroepen werden vanaf die tijd voor hergebruik centraal bewaard. Het archief was onderdeel van de al bestaande afdeling Filmzaken, die de acquisitie van (speel)films en zogeheten filminlassen (voor uitzending opgenomen stukjes film, die tijdens een televisie-uitzending gebruikt werden) verzorgde.

Met het samengaan van de NRU en de NTS ging deze afdeling onder de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) vallen en veranderde door de opkomst van de video in de jaren 80 van naam in Film- en Beeldbandarchief (FBA). In 1990 werd het Film- en Beeldbandarchief samen met de Fonotheek ondergebracht in de Stichting Audiovisueel Archief Centrum (AVAC).

Oude televisiecamera uit de begintijd van de Nederlandse televisie

Vroege Initiatieven voor Filmarchivering

In september 1919 publiceerde het Algemeen Handelsblad een ingezonden brief van de heer D.S. (...) of het niet wenschelijk is, de film van heden te bewaren voor het nageslacht, dat daaruit leering en wetenschap kan putten. Het lijkt alleszins gewenscht de aandacht van de Regeering op dat toekomstbelang te vestigen en ertoe over te gaan een centraal filmarchief te stichten.

Reeds op 8 november 1919 werd door een aantal 'Haagse heren', onder wie Algemene Rijksarchivaris prof. mr. Robert Fruin, gemeentearchivaris van 's Gravenhage dr. Hendrik van Gelder alsmede Van Zuiden, de Vereniging Nederlandsch Centraal Filmarchief (NCF) opgericht. Het NCF ging onder meer de door de Haghe Filmfabriek en de Orion Filmfabriek (beide opgericht in Den Haag in resp. 1917 en 1922) geproduceerde films in bewaring nemen. Tevens produceerde de vereniging zelf films, kocht door anderen geproduceerde films aan en kreeg films ten geschenke van verscheidene particulieren (personen en organisaties).

Na onder meer problemen over het verplicht afstaan van negatieven door Nederlandse filmproducenten en -distributeurs aan het NCF werd dit archief in 1933 opgeheven. De verzamelde films zijn op 10 september 1933 overgenomen door het Rijks Historisch Filmarchief, waarvan de Algemene Rijksarchivaris conservator was.

Het Rijks Filmarchief en de Tweede Wereldoorlog

In 1947 richtte de RVD-Den Haag een filmarchief in dat eerst Rijks Filmarchief heette. Dit na het in bewaring gekregen te hebben van filmmateriaal dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in opdracht van de Regeringsvoorlichtingsdienst van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen was vervaardigd.

Nadat de regering naar Londen was uitgeweken werd de gehele Nederlandse voorlichting in eerste instantie verzorgd vanuit de Afdeling Perszaken van de Nederlandse Legatie in de Britse hoofdstad. Na de eerste chaotische periode in Londen groeiden de persactiviteiten van de Legatie uit tot de instelling van de Regeringsvoorlichtingsdienst, ook wel RVD-Londen genoemd. Naast de afdeling Perszaken waren er een radioluisterdienst, afdeling Lezingen, documentatieafdeling, bibliotheek, correspondentiearchief, fotoarchief en, wat hier relevant is, een afdeling Film onder leiding van majoor Brand Dirk Ochse.

De afdeling Film van de RVD-Londen, ingesteld per 1 september 1943, had een filmopname-unit onder leiding van John Fernhout, waarbij twee filmoperateurs waren gedetacheerd: Frits Wassenburg en Piet Out (beide cameraman en afkomstig van Filmfabriek Polygoon). De filmtechnische apparatuur was deels eigendom van de RVD-Londen, deels bruikleen van de British Broadcasting Corporation (BBC), terwijl ook montageruimten gehuurd waren in Wardour Street, centrumlocatie voor de Britse filmindustrie.

Naast de Filmafdeling van de RVD-Londen opereerde ook nog een filmopname-unit van de Marine Voorlichtingsdienst, waarbij de filmoperateurs Hans Barnstijn (tevens plaatsvervangend hoofd) en Robert Kiek (eigenlijk journalist) gedetacheerd waren. In zijn laatste rapport over de afdeling Film (opgeheven op 15 september 1945) meldde Ochse dat zijn filmopname-unit 90.000 feet belicht negatief over de bevrijding van Nederland heeft opgenomen en naar Londen verzonden, waar het filmmateriaal ontwikkeld werd. Army Pictorial Services (opgericht in 1942, op bevel van generaal George Marshall) en 2.500 feet over diverse marineonderwerpen. Dit filmmateriaal werd in duplicaat aangeboden aan de British Army Film Unit, de United States Office of War Information, de National Film Board of Canada en France Libre Actualités.

In samenwerking met het Britse Ministry of Information liet de RVD-Londen uit alle opnamen de films The Last Shot en Broken Dykes maken. British Paramount News, producent van Britse bioscoopjournaals, maakte de film Vrij en Onverveerd (opgeleverd 27 juli 1945), waarin naast filmmateriaal van andere herkomst eveneens opnamen van de filmopname-unit van de RVD verwerkt werden. Het filmmateriaal over de bevrijding van Nederland vormde een deel van het filmbezit van de RVD-Londen.

Naoorlogse Ontwikkelingen en Uitbreiding

Inmiddels hadden in Nederlandse regeringskringen in Londen de plannen omtrent de naoorlogse overheidsvoorlichting in en over Nederland vastere vorm aangenomen. Op 27 juli 1945 ontving Piet Wansink van de voorzitter van de Raad van Ministers (die tevens belast was met de Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk) de opdracht om zich als directeur van de Regeringsvoorlichtingsdient in Londen te belasten met het opbouwen van de RVD-Den Haag aan de Wassenaarseweg 40. Vrijwel al het originele filmmateriaal (35mm zwart/wit op basis van nitraat) dat in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen gedurende de oorlog was geproduceerd werd begin 1946 in ongeordende staat en in kisten van verschillende omvang naar dit adres verzonden. In de achtertuin zou een compacte opslagruimte voor het nieuwe Rijks Filmarchief worden neergezet (1947). In 1950 beschikte de RVD over een elektrisch op de juiste temperatuur en luchtvochtigheid gehouden archief.

Dit werd echter spoedig te klein door toestroom van filmmateriaal uit Overzeese gebiedsdelen en uit 'vijandelijk vermogen'. Naast de gedachten omtrent overheidsvoorlichting in het naoorlogse Nederland had de regering in Londen ook een aantal besluiten genomen ten aanzien van vijandelijke vermogens. Hieronder vielen de bezittingen van vijandelijke staten/onderdanen en bovendien de vermogens/bezittingen van 'zekere landverraderlijke personen'. Deze (im-)materiële goederen, in dit geval Duitse en Japanse propagandafilms, werden ingevolge het Besluit van 20 oktober 1944 (houdende vaststelling van het Besluit Vijandelijk Vermogen) onder toezicht gesteld van het Nederlandsche Beheersinstituut en ondergebracht bij het Rijks Filmarchief.

Vanaf 1955 werd voor de opslag en het beheer van de brandgevaarlijke nitraatfilms een onderdeel van de voormalige Atlantikwall betrokken, een bunker van de Duitse Wehrmacht in de duinen van Scheveningen. Dit was een bijzondere bunker daar deze vooral diende als ontspanningsruimte voor de in Den Haag verblijvende Duitse regeringsfunctionarissen. Een gedeelte van de ruimte was als Bierkeller ingericht. Met de tijd en door een toenemend aanbod van film op basis van acetaat alsook videomateriaal breidde de opslag zich uit tot andere gebouwen in Den Haag. Hoofdlocatie werd een pand van de RVD aan de Anna Paulownastraat 76. In 1980 werd de bunker bij Scheveningen gemoderniseerd. In 1983 veranderde het Rijks Filmarchief, na de samenvoeging van het Filmarchief en het Fotoarchief van de RVD, van naam in RVD Film- en Fotoarchief. Het Fotoarchief bevatte onder andere collecties van Anefo, de Nederlandse Heidemaatschappij en fotograaf Willem van de Poll. Tussen 1990 en 2006 fungeerde het Rijksbedrijvencentrum (RBC) in Den Haag, zijde Visseringlaan (3), als centrale locatie voor de opslag van zwart/wit- en kleurenacetaatfilms en videomateriaal. In 1993 werd om beheerstechnische redenen het Fotoarchief weer van het Filmarchief gescheiden en eind 1996 grotendeels door het Nationaal Archief overgenomen.

Gedetailleerd schema van de opslagstructuur van het Rijks Filmarchief

Audiovisueel Materiaal in Wetenschappelijk Onderzoek

Tot de jaren 40 van de 20ste eeuw was filologie de enige tak van wetenschap waar enigszins structureel van audiovisuele apparatuur ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek gebruik werd gemaakt. In 1932 werd op initiatief van arts-foneticus dr. Louise Kaiser van de Universiteit van Amsterdam het Laboratorium voor Experimentele Fonetiek ingericht, met speciale ruimten voor het opnemen van gesproken woord, het snijden van grammofoonplaten en dergelijke. Samen met Piet Meertens en Jacques van Ginneken was Kaiser de drijvende kracht achter de Dialectencommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), opgericht in 1926, tot leven gekomen in 1930 en bij de buitenwereld bekend geworden dankzij de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil.

Op het moment dat de collectie geluidsopnamen van het fonetisch laboratorium begon te groeien werd naar een idee van Van Ginneken en de Amsterdamse historicus Nico Posthumus, stichter van onder meer het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), op 20 juni 1938 de Stichting van het Archief voor Culturele Vormen van Menschelijke Motoriek i.o. opgericht, in 1939 voortgezet als het Algemeen Nederlandsch Archief voor Taal en andere Uitingsbewegingen.

Men was er in eerste instantie niet zo zeer op uit bestaand wetenschappelijk audiovisueel materiaal te verzamelen en voor onderzoek alsook onderwijs toegankelijk te maken, maar relevant materiaal dat in het bezit was van de radio-omroepen in Hilversum.

De Rol van Universiteiten in Filmproductie

In 1943 besloot hoogleraar hygiëne Henri Willem Julius van de Medische Faculteit van de Rijksuniversiteit Utrecht (RUU) om met een eenvoudige filmcamera, wat stukjes film en een dosis geduld de handeling 'enten in de bacteriologie' vast te leggen op film. Toen na de Tweede Wereldoorlog de colleges weer begonnen bleek dat de studenten na het zien van de film bij het practicum precies wisten wat er van hen werd verwacht. Julius vond dat het niet bij dit ene initiatief moest blijven en richtte daarom begin 1950 met steun van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OK&W) het Nederlands Universitair Instituut voor de Produktie van Wetenschappelijke Films op, later beter bekend geworden als Universitair Film Instituut of nog korter UNFI. Van de circa 60 films die in de eerste vijf jaar van het bestaan werden gerealiseerd had de meerderheid een medisch onderwerp.

De filmdienst was aanvankelijk gesitueerd in een kamer van het Hygiënisch Laboratorium van de RUU aan de Catharijnesingel (59), hoek Sterrenbos, in Utrecht. Op 19 juli 1955 richtten zes universiteiten, vier hogescholen en het Ministerie van OK&W, het Ministerie van Algemene Zaken en het Ministerie van Financiën de Stichting Film en Wetenschap (SFW) op. Henri Willem Julius werd voorzitter, Paul Janssen, Willem de Vogel en Jan Varossieau werden directeur. De SFW zou de wensen van het hoger onderwijs ten aanzien van de productie van wetenschappelijk audiovisueel materiaal gaan coördineren, de filmproductie van UNFI bevorderen en de distributie van die producties ter hand nemen.

De scheidslijn tussen de twee was dat de artistieke zijde van de film in ambtelijke sfeer gehouden werd door UNFI. Als producent was deze daarmee onafhankelijker ten opzichte van de opdrachtgever zodat concessies geminimaliseerd werden.

Het Geluidsarchief en de Historische Benadering van Film

In 1961 werd door de Utrechtse historicus prof. dr. Coenraad Brandt het Geluidsarchief van het Instituut voor Geschiedenis der RUU, kortweg Geluidsarchief, opgericht. Het ging als een archief voor geluidsdragers functioneren. Naast het toegankelijk maken van radio-opnamen uit de zogeheten schaduwcollectie van de Nederlandse Radio Unie lag de nadruk op het opnemen en archiveren van interviews met belangrijke personen uit de politiek en de wetenschap in het kader van oral history.

Begin jaren 60 overtuigde verder de Amsterdamse hoogleraar nieuwste geschiedenis Frits de Jong Edz. Louise Kaiser, Piet Meertens en anderen ervan, dat het eerder genoemde Beeld en Klankarchief moest afstappen van de sociaalpsychologische benadering van het verschijnsel film, in de jaren 50 geïntroduceerd door hoogleraar psychologie Frederik Buytendijk, om in plaats daarvan het historische aspect van film centraal te stellen oftewel om film als een historisch document te zien en tevens als een historische bron te gebruiken. De interesse van historici voor audiovisueel materiaal beperkte zich niet alleen tot het documenteren van wat er was bewaard, maar ging ook uit naar het zoeken van mogelijkheden om het op een verantwoorde manier in het onderwijs in t...

De HELE geschiedenis van het Nederlandse Rijk valt in slaap | AI-tools als assistenten STEM, BEELDEN

tags: #beeld #en #geluid #youtube #ruimte